40 jaar kernramp van Tsjernobyl: van Sovjettrots tot verboden zone
In dit artikel:
In de nacht van 26 april 1986 liep een veiligheidstest in reactor 4 van de kerncentrale van Tsjernobyl volledig uit de hand: om 1.23 uur vonden twee explosies plaats, waarbij de zwaarste brokstukken en radioactief stof over het omliggende gebied verspreidde. De ernst van het accident werd pas uren later duidelijk, toen een helikopter boven de reactor vloog en ontdekte dat het dek van ruim 1.000 ton was weggeblazen en de kern blootlag. De eerste alarmen in het Westen kwamen zelfs uit Zweden, waar men verhoogde radioactiviteit mat.
De speciaal voor kerncentralepersoneel gebouwde stad Pripjat, met bijna 50.000 inwoners in 1986 de grootste plaats in de regio en direct naast de centrale gelegen, werd als eerste ontruimd. Meer dan 1.200 bussen haalden in een uittocht van ongeveer 2,5 uur de hele stad leeg; bewoners kregen te horen dat het tijdelijk was en mochten alleen het hoogstnodige meenemen. Huisdieren moesten achterblijven uit angst voor besmetting van hun vacht. De officiële evacuatie van een straal van 10 km rond de centrale begon op 27 april; enkele dagen later werd de zone uitgebreid tot 30 km. Tegen 14 mei waren circa 116.000 mensen verdreven, en in de jaren erna werden nog zo’n 220.000 mensen uit verderop gelegen besmette gebieden herhuisvest.
De Sovjetautoriteiten probeerden aanvankelijk delen van de ontruimde zone schoon te maken: topgrond werd afgegraven, straten met speciale stofzuigers gereinigd en gevels tot driemaal toe gewassen met chemische middelen — in totaal werden meer dan 110.000 m² buitenmuren behandeld. Toch bleken de besmettingsniveaus te hoog om volledige terugkeer mogelijk te maken. Massale operaties volgden: besmet puin en zelfs hele dorpen werden afgebroken en ter plaatse begraven; besmette bossen werden gekapt en in geulen gestort. Om brandrisico en ongedierte te beperken werden in Pripjat vele keukenkasten en meubels gewoon van balkons gegooid; van de 13.414 appartementen kon uiteindelijk maar een klein deel volledig worden leeggehaald.
De gedwongen migratie had ook sociale gevolgen: ontheemden kampten met heimwee en stigmatisering, omdat straling vaak als iets “besmettelijks” werd gezien; bovendien ontstond wrijving over de nieuw toegekende woningen. Niet iedereen vertrok: rond 1986 bleven volgens schattingen nog zo’n 1.200 mensen in de zone, en decennia later waren er kleine aantallen teruggekeerde bewoners en resettlers; in 2012 waren dat er nog ongeveer 197, de meesten op leeftijd. De exclusiezone blijft tot op heden bijna leeg; alleen arbeiders voor onderhoud en toezicht verblijven er tijdelijk in ploegendiensten, maar binnen de 30 km-grens woont officieel niemand permanent.